Een zogenoemde EU-immuniteit

Alle verzinsels voor rechtsweigering in hoofde van onderzoekrechters, parketmagistraten, arbeidsauditeurs en bodemrechters houden manifest geen steek.

  1. Het « Sayag » Arrest Nr 5/68 van het Hof van Justitie van de Europese Unie dd. 11 juli 1968

Het Hof zegt voor recht in deze beslissing: … dat blijkens artikel 11 sub a) van het protocol de door een ambtenaar of ander personeelslid verrichte handeling slechts voor vrijstelling van rechtsvervolging in aanmerking komt, indien zij in officiële hoedanigheid werd verricht, dit wil zeggen in het kader van de aan de Gemeenschap toevertrouwde taak.

De communautaire opdrachten toevertrouwd aan de Europese instellingen worden beschreven in het geconsolideerd EU-verdrag bestaande uit het verdrag betreffende de Europese Unie en het verdrag betreffende de werking van de Europese Unie. De bevoegdheden en de samenwerking tussen de lidstaten en de Europese Unie worden vastgelegd in de artikelen 2 tot 6 van het verdrag betreffende de werking van de EU.

Het strafrecht is een exclusieve bevoegdheid gebleven van de individuele lidstaten overeenkomstig artikel 72 van het verdrag betreffende de werking van de EU (NB met uitzondering in sommige gevallen van zware grensoverschrijdende criminaliteit)

Het plegen van wanbedrijven ( zoals psychische of seksuele intimidatie of pesterijen op het werk) of misdaden ( zoals bijvoorbeeld schrift vervalsing in openbare geschriften ) kan onmogelijk worden beschouwd als zijnde een officiële opdracht vervuld in naam van de Europese Unie

Nochtans was deze rechtspraak van 5 juli 1968 reeds lang gekend in hoofde van de Belgische jurisdicties.

2. De jurisprudentie van het Hof van Justitie van de Europese Unie C-640/20P dd. 23 maart 2023 in de zaak PV / Europese Commissie

De Europese instellingen staan niet « boven het nationale recht » van de lidstaten, zoals de EU- instellingen dit ten onrechte beweren en zoals gevonnist in de punten 62 en 65 van dit arrest

62.Zoals de advocaat-generaal in de punten 62 tot en met 71 van zijn conclusie heeft opgemerkt, zijn er ook andere bepalingen, van zowel primair als afgeleid Unierecht, van toepassing op de arbeidsverhouding tussen ambtenaar en instelling .

63.Bovendien verwijzen bepaalde artikelen van het Statuut naar het nationale recht van de lidstaten.

64.Dat is in het bijzonder het geval bij de artikelen 21 bis en 23 van het Statuut, waarop PV’s beroepen tot nietigverklaring steunen.

65.Artikel 23 van het Statuut, inzake de voorrechten en immuniteiten welke de ambtenaren genieten, bepaalt namelijk in de eerste alinea dat de betrokkenen niet zijn ontheven van het naleven van de geldende wetten en de voorschriften betreffende de openbare orde en veiligheid.Derhalve blijkt uit deze bepaling dat de ambtenaren zich moeten houden aan de wetgeving van het lidstaat waar zij werken, voor zover die geldt voor eenieder die op het grondgebied van die lidstaat verblijft, waaronder het strafrecht.

66. Evenzo bepaalt artikel 21 bis, lid 1, van het Statuut dat een ambtenaar niet verplicht is om een opdracht uit te voeren die duidelijk in strijd is met de wet of met de geldende veiligheidsvoorschriften. Op grond van deze bepaling, gelezen in samenhang met artikel 23, eerste alinea, van het Statuut, kan een ambtenaar dus een opdracht weigeren op grond dat de uitvoering daarvan schending zou opleveren van het strafrecht van de lidstaat waar hij werkt.

67.Uit deze overwegingen volgt dat het Gerecht blijk heeft gegeven van een onjuiste rechtsopvatting, door in punt 185 van het bestreden arrest te oordelen dat de arbeidsverhouding tussen een ambtenaar en de instelling waar hij werkt uitsluitend wordt beheerst door het Statuut en zo krachtens artikel 270 VWEU iedere relevantie van het nationale strafrecht heeft uitgesloten.

3. Het antwoord op een prejudiciële vraag van de Procureur Generaal van Letland zoals uitgesproken door het Europees Hof van Justitie in de zaak C-3/20 op 30 november 2021 in punt 73:

  73. Wat betreft de wijze waarop deze samenwerking dient te verlopen, zij opgemerkt dat de vraag of de ambtenaar of het andere personeelslid van de Unie de gewraakte handeling heeft verricht in zijn officiële hoedanigheid, in de praktijk in eerste instantie moet worden beantwoord door de nationale autoriteit die verantwoordelijk is voor de strafrechtelijke procedure, en dat deze autoriteit slechts summier kan beoordelen of aan dat criterium is voldaan. Wanneer zij vaststelt dat de ambtenaar of het andere personeelslid van de Unie de handeling die het voorwerp van de strafrechtelijke procedure is, kennelijk NIET heeft verricht in zijn officiële hoedanigheid, kan de tegen hem ingestelde procedure dan ook worden voortgezet omdat de vrijstelling van rechtsvervolging niet van toepassing is. Wanneer bij die nationale autoriteit in enig stadium van de strafrechtelijke procedure twijfels rijzen op dit punt, is zij daarentegen krachtens het in artikel 4, lid 3, VEU neergelegde beginsel van loyale samenwerking gehouden om de betrokken instelling van de Unie te raadplegen overeenkomstig artikel 18 van het Protocol betreffende de voorrechten en immuniteiten, alsmede om – indien deze instelling van mening is dat de handeling is verricht in een officiële hoedanigheid – die instelling te verzoeken de immuniteit van de ambtenaar of het andere personeelslid in kwestie op te heffen.

4. Het arrest dd. 22 oktober 2015 van de Kamer van inbeschuldigingstelling van het Hof van Beroep te Brussel (Nr arrest 2015/3236-KI/Folio:1831)

Dit arrest stelt onomwonden:

« De beschikkingen van het strafwetboek, het sociaal strafwetboek en de strafrechtelijke bepalingen uit de wet van 4 augustus 1996 betreffende het welzijn van de werknemers bij de uitvoering van hun werk, zijn onder meer van toepassing op de werknemers van de Europese instellingen in België, ongeacht het arbeidscontract of hun statuut van Europees ambtenaar (Dit statuut bevat geen strafrechtelijke bepalingen ter vervanging van de Belgische strafwetgeving)…

De toepassing van de Belgische strafwetten op het personeel tewerkgesteld bij de Europese instellingen staat volledig los van elke mogelijke diplomatieke of functionele immuniteiten waarmee desgevallend – afhankelijk van hun omvang of hun draagwijdte – rekening moet worden gehouden tijdens de gerechtelijke procedure.

Geen enkele regeling belet een onderzoeksrechter om het verhoor te bevelen van Europese ambtenaren als getuigen, zonder dat hun functionele immuniteit moet worden opgeheven.

5. De drogreden van artikel 19 van het statuut van de Europese ambtenaar

De aangehaalde drogreden van het EU-personeel om elke getuigenis of verhoor te weigeren bevolen door een onderzoeksrechter, berust op artikel 19 van het EU-statuut. De draagwijdte van dit artikel 19 is bepaald in artikel 339 van het verdrag betreffende de werking van de EU. Er is nooit enige goedkeuring vereist vanwege het tot aanstelling bevoegd gezag van de Europese instelling om te getuigen in een strafzaak.

Dit artikel 339 vermeldt: « De leden van de instellingen van de Unie, de leden van de comités, alsmede de ambtenaren en personeelsleden van de Unie zijn gehouden, zelfs na afloop van hun functie, de inlichtingen die naar hun aard vallen onder de geheimhoudingsplicht en met name de inlichtingen betreffende de ondernemingen en hun handelsbetrekkingen of de bestanddelen van hun kostprijzen, niet openbaar te maken.»Dit heeft duidelijk niets te maken met strafrechtelijke inbreuken.

Het Brussels Arbeidsauditoraat heeft deze drogreden in een apart schrijven van 25 november 2015 opgelegd aan verscheidene onderzoeksrechters, teneinde de lopende gerechtelijke onderzoeken tegen te werken.